erfgoedwijs noord-holland

behoud en beheer/klimaat

Eén van de hoofdtaken van erfgoedbeherende instellingen, zoals musea en oudheidkamers, is het goed bewaren van de collectie. Een belangrijk onderdeel hiervan vormt de zorg voor het klimaat, dat wil zeggen de temperatuur en de vochtigheidsgraad. Een goed klimaat houdt de voorwerpen in een betere conditie, waardoor conservering en restauratie kunnen worden voorkomen of minder snel nodig worden.
Voorwerpen zijn gemaakt van allerlei soorten materialen. Die materialen reageren verschillend op veranderingen in de temperatuur en de luchtvochtigheid. Enkele voorbeelden:

  • Veel voorwerpen bestaan uit organische materialen, zoals hout, textiel, papier, schilderijen, opgezette dieren. Ze nemen vocht uit de lucht op als de relatieve vochtigheid in hun omgeving stijgt (waardoor ze uitzetten) en staan vocht aan de lucht af als de relatieve vochtigheid in hun omgeving daalt (waardoor ze krimpen). Dit brengt spanningen in het voorwerp teweeg.
    Het opnemen en afstaan van vocht vindt in elk materiaal in een ander tempo en in andere mate plaats.
    Lang niet altijd is de schade onmiddellijk waarneembaar. De gevolgen van een slecht klimaat zijn vaak pas op lange termijn zichtbaar.


  • Bij een steeds veranderend klimaat treden er in de voorwerpen ook spanningen op, omdat niet alle delen van een voorwerp even snel op een verandering reageren. Scheuren kunnen ontstaan, stukken laten los of breken af, of het voorwerp kan vervormen.


  • Bevinden voorwerpen zich in een voortdurend te droog of een voortdurend te vochtig klimaat, dan zijn ze veelal aan dit klimaat gewend geraakt. Ze proberen zich zoveel mogelijk te stabiliseren in deze omgeving.
    Juist als het klimaat in korte tijd sterk verandert, kan veel schade ontstaan door spanningen in het materiaal (ten gevolge van uitzetten door vochtopname of krimp door afstaan van vocht). Hetzelfde gebeurt als een object moet worden overgebracht naar een ruimte waar een heel ander klimaat heerst. Het is er dan bij gebaat geleidelijk in die andere klimaatomstandigheden gebracht te worden.


  • Schimmelsporen, die overal aanwezig zijn, kunnen in een omgeving met een luchtvochtigheid die hoger is dan 60-65% RV en een temperatuur van hoger dan 21°C plotseling tot ontwikkeling komen.


  • Voorwerpen van anorganische materialen, zoals metalen, glas, ceramiek en steen reageren
    eveneens op klimaatwisselingen. Voorwerpen van ijzer bijvoorbeeld gaan in een vochtige omgeving onmiddellijk roesten.

Terug naar boven

klimaatrichtlijnen

Tot voor kort werd niet gesproken over richtlijnen, maar over ‘klimaateisen’. Sinds enige tijd is er echter een beweging gaande in de richting van een iets minder strakke benadering van het klimaat in musea*. Onder leiding van het Instituut Collectie Nederland (het kennisinstituut op het gebied van behoud en beheer in Nederland) is onlangs een stuurgroep opgericht die als doel heeft te komen tot nieuwe richtlijnen voor een verantwoord klimaat ( icn-publicatie ‘klimaatwerk 2009’ http://www.icn.nl/nl/kenniscentrum/risicomanagement/klimaatrichtlijnen ) in musea. Zolang deze nog niet in boekvorm zijn geformuleerd gebruiken we de vroegere eisen als richtlijnen:

relatieve vochtigheid
Voor de meeste voorwerpen is een relatieve vochtigheid van 48-55% RV ideaal, met een maximale schommeling van niet meer dan 3% per etmaal.

temperatuur

Algemeen wordt een temperatuur van 16-18°C aanbevolen, met een maximale schommeling per etmaal van niet meer dan 2°C.

Het is belangrijk om het klimaat in de ruimten zo constant mogelijk te houden, zowel qua temperatuur als qua relatieve vochtigheid.

In wezen kunnen voorwerpen van organisch materiaal beter tegen een iets te vochtig of iets te droog, maar wèl stabiel klimaat, dan tegen een klimaat dat binnen een etmaal aan hogere wisselingen dan 3% RV onderhevig is, zelfs al zou het klimaat daarbij tussen 48-55% RV blijven.

meten van het binnenklimaat
Het Klimaatnetwerk geeft in onderstaande brochure advies over het meten van het binnenklimaat. Deze sluit aan bij de publicatie 'Klimaatwerk 1' waarin ze een besluitvormingstraject uitwerken om te komen tot een verantwoord binnenklimaat.

Brochure: Meten van het binnenklimaat (Download PDF)

Terug naar boven

relatieve vochtigheid

Onder klimaat wordt verstaan: de toestand van de atmosfeer (in een bepaald gebied of in een bepaalde ruimte) wat betreft temperatuur en luchtvochtigheid.
Lucht kan een bepaalde hoeveelheid waterdamp bevatten. Hoe hoger de temperatuur is, hoe meer waterdamp de lucht kan bevatten. Een kubieke meter lucht kan bij 30°C maximaal 31 gram waterdamp bevatten, bij 20°C is dat 18 gram en bij 10°C maar 10 gram.
Wanneer er meer waterdamp in de lucht komt dan de lucht kan bevatten, ontstaat condens.

Als men bijvoorbeeld zegt dat de lucht 18 gram waterdamp per kubieke meter bevat, hebben we pas iets aan dat gegeven, als we weten hoe hoog de temperatuur is. Dan weten we hoe groot de verzadiging van de lucht is. De mate van verzadiging en de schommelingen hierin hebben veel invloed op het voortbestaan van de voorwerpen die we willen bewaren. Men berekent dan ook de ‘relatieve vochtigheid’ (RV) in een ruimte, namelijk de hoeveelheid waterdamp in verhouding tot de temperatuur.

Als lucht de maximale hoeveelheid waterdamp bevat (bij een temperatuur van 20°C bijvoorbeeld is dat 18 gram per kubieke meter, zie boven), dan spreekt men over een relatieve vochtigheid van 100%.
Bevat een kubieke meter lucht bij diezelfde temperatuur een hoeveelheid waterdamp van 9 gram, dan bevat die lucht de helft van het maximum aan waterdamp en is de relatieve luchtvochtigheid 50% RV. Zakt de temperatuur naar 10°C (waarbij de lucht per kubieke meter maar 10 gram waterdamp kan opnemen, zie boven) en blijft de hoeveelheid waterdamp 9 gram, dan stijgt de RV naar 90%.

Als de temperatuur naar 30°C was gestegen (met een maximum van 31 gram waterdamp per kubieke meter, zie boven) en de hoeveelheid waterdamp was 9 gram gebleven, dan was de RV circa 29% geweest.

Terug naar boven

temperatuur

Als richtlijn voor de temperatuur in musea wordt 16-18°C aangeraden. Een lagere temperatuur bijvoorbeeld in depots is, mits de RV gelijk blijft, nog beter (maar niet onder zo’n 5°C, en als er voorwerpen van tin zijn niet lager dan 14°C). Een hogere temperatuur is in veel musea in de zomer niet te vermijden. Het kan, ook al zou de RV op peil blijven, tot schade leiden, bij hogere temperaturen gaan namelijk allerlei chemische processen, waaronder verval, sneller.

Terug naar boven

meet- en regelapparatuur

Het is niet altijd eenvoudig een stabiele omgeving voor de objecten te bereiken. Om te beginnen moet men gegevens over het klimaat verkrijgen door het doen van metingen. Aan de hand van de meetgegevens wordt duidelijk of en zo ja, welke regelapparatuur nodig is. Daarna dient men te blijven meten om er zeker van te zijn dat de apparatuur zijn werk doet.

Veel musea hebben in de loop der tijd apparatuur aangeschaft: een of meer thermohygrografen en/of dataloggers om het klimaat te meten en be- en/of ontvochtigers om het klimaat te regelen. Meer hierover is te lezen onder Klimaatbeheersing en thermohygrografen.

Terug naar boven

het gebouw

Niet alles is op te lossen met apparatuur, het is belangrijk om ook naar het gebouw te kijken. Veranderingen aan het gebouw zijn echter vaak duur en zijn soms niet mogelijk omdat het gebouw op de monumentenlijst staat. Wel kan men ervoor zorgen dat de deuren zoveel mogelijk gesloten blijven. Zet sluitveren op de deuren. Voorkom tocht in het gebouw door kieren dicht te stoppen en door tochtstrips te gebruiken.

Een tochtsluis is vrij gemakkelijk te maken en helpt mee het klimaat binnen op peil te houden.
Dubbelglas helpt, evenals luiken, die bovendien het zonlicht buiten houden.

Vaak wordt het depot in de slechtste ruimte van het gebouw geplaatst, hierin worden de objecten echter langdurig geborgen. Een depot hoort niet in een vochtige kelder of op een tochtige zolder thuis.
Gaat u delen van het gebouw aanpassen, zorg dan dat u geschikte materialen gebruikt.
Gebruik voor het isoleren als isolatiemateriaal steenwol.

(Vuren)hout en gipsplaat zijn klimaatbufferende materialen, ze geven vocht af als het te droog is en nemen vocht op als het te vochtig is. Ze dragen er zodoende toe bij het klimaat constanter te maken.

Veel plaatmaterialen geven schadelijke gassen af en kunnen niet worden gebruikt in een museale context. Hieronder vallen onder meer spaanplaat, meubelplaat, MDF (ook de zogenaamde Zf-variant) en underlayment-plaat. Alleen watervastverlijmd vurenmultiplex is bruikbaar. Als MDF wordt voorzien van een aantal lagen niet-dampdoorlatende verf, kan het wel worden toegepast. De verf moet echter, voordat er objecten mee in aanraking komen, voldoende tijd kunnen uitdampen.

Ook massieve houtsoorten geven emissie van schadelijke gassen. Massief vuren- of grenenhout is de beste houtsoort, eikenhout bijvoorbeeld hoort tot de minst goede en zou beslist niet gekozen moeten worden.

Neem bij twijfel contact op met de museumconsulent behoud en beheer.

Terug naar boven

tips om het klimaat te verbeteren

  • houd de temperatuur dag en nacht op dezelfde temperatuur, veel schommelingen in de relatieve luchtvochtigheid worden veroorzaakt door een verandering in de temperatuur.


  • houd ook de instelling van de be- en ontvochtigers zoveel mogelijk gelijk.


  • probeer te voorkomen dat direct zonlicht in de ruimtes komt.


  • houd deuren of gesloten, of open. Vooral als in een ruimte klimaatapparatuur en in een
    aangrenzende ruimte geen apparatuur staat krijgt men schommelingen als dit wisselt.


  • maak goede afspraken over het beheer van de apparatuur, zodat bevochtigers tijdig worden
    gevuld, ontvochtigers tijdig worden geleegd en de meetpapieren van de thermohygrograaf op
    tijd worden vervangen. Zorg dat alle medewerkers van het beleid op de hoogte zijn. Hang
    eventueel belangrijke regels op.


  • kijk of het mogelijk is om de bevochtiger aan te sluiten op de waterleiding of de
    ontvochtiger op een afvoer. Dit voorkomt dat de apparaten ongewenst buiten werking raken.


  • zorg dat de ontvochtigers en de bevochtigers niet te dicht bij de verwarming staan. Ze
    registreren zo een lagere waarde dan voor de rest van de ruimte geldt, waardoor een
    ontvochtiger te weinig zal ontvochtigen en een bevochtiger te veel zal bevochtigen.


  • zet be- en ontvochtigers niet te dicht tegen de muur of tussen grote voorwerpen in. De apparaten kunnen dan niet reageren op de vochtigheidstoestand in de gehele ruimte; bij de bevochtiger slaat de uitgeblazen vochtige lucht vrijwel rechtstreeks in de sensor van het apparaat waardoor het apparaat weer afslaat. Met de ontvochtiger gebeurt hetzelfde als de uitgeblazen droge lucht in de sensor slaat.


  • als men met droogte kampt, kijk dan of de verwarming lager gezet kan worden. Voor de medewerkers zijn verwarmde voetmatten wellicht een oplossing tegen koude. Bedenk wel dat de temperatuur bij voorwerpen van tin niet onder 14°C mag komen, omdat zich dan een verandering van structuur kan voordoen, die ernstige schade aan het object kan veroorzaken.

Terug naar boven